AF_010003002620ES_01

Belgische vluchtelingen in een opvangloods aan tafel, najaar 1914

Aanvankelijk werden de Belgische vluchtelingen in Amsterdam door particulieren opgevangen, maar al snel bleek het aantal vluchtelingen daarvoor te omvangrijk. Vanaf midden oktober 1914 werden uitgewekenen ondergebracht in loodsen aan de Handels- en IJkade in het Oostelijk Havengebied. Hiervoor werden het gebouw van de stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’ (SMN) en andere loodsen gebruikt. Een andere reden om de vluchtelingen in grotere gebouwen onderdak te bieden, hield verband met de tijdelijke doorgangshuizen van waaruit de vluchtelingen na een kort verblijf doorreisden naar een permanente opvang. Deze doorgangshuizen konden slechts voor een korte periode hun pand ter beschikking stellen.

Elke loods had een eigen veldkeuken, waar koks in grote ketels het voedsel bereidden. Het kwam nu en dan voor dat het eten wat aangebrand raakte. Erg vonden de Belgen dit niet, meldde de verslaggever van De Telegraaf, gebeurde het immers thuis ook niet dat de pot wat te lang op het vuur had gestaan? In de proviandkamer werd het voedsel door personeel en Belgen afgewogen en uitgedeeld. De maaltijden werden in ploegen geserveerd door ‘frisse Antwerpsche meisjes’. In de loods van de SMN konden maximaal 350 personen tegelijk de maaltijd benuttigen. Kinderen mochten een uur vroeger aan tafel dan de volwassenen. ’s Morgens stond brood met koffie op het menu, ’s middags een warme maaltijd met bonen of aardappelen en ’s avonds was er weer brood met koffie. Als de omstandigheden het toelieten was er ook karnemelksepap. Een uitgebreid menu was het dus zeker niet. Toch waren de Belgen over het algemeen tevreden over het voedsel en de verdere opvang. In De Telegraaf van zaterdag 31 oktober 1914 vertelde een Belgische oude vrouw uit een loods:

‘Ik ben hier heel content! We hebben het zoo goed als we ’t maar hebben kunnen, en we krijgen meer eten dan we op kunnen krijgen. Daar is de waarheid en wie het anders zegt, is een deugeniet!’