Aan het begin van de oorlog was men in Nederland nog ver verwijderd van het algemeen kiesrecht. Vrouwen mochten helemaal niet stemmen en mannen pas vanaf 25 jaar, als ze tenminste aan bepaalde voorwaarden voldeden. Ze mochten hun stem uitbrengen als ze in een hogere belastingklasse vielen, dus beschikten over geld of bezit. Men onderscheidde zo  belastingkiezers, woningkiezers, loonkiezers en spaarkiezers. Minder vermogenden en armen werden hierdoor buitengesloten. Maar tijdens de mobilisatie zou het kiesrecht gewijzigd worden.

In oktober 1915 kwam de liberale regering met ingrijpende voorstellen om de grondwet te veranderen. Men wilde algemeen kiesrecht invoeren voor mannen vanaf 25 jaar, die zich zowel kandidaat mochten stellen (passief kiesrecht) als hun stem uitbrengen (actief kiesrecht). Voor vrouwen vanaf 25 jaar wilde men alleen  passief kiesrecht mogelijk maken.  In plaats van een districtenstelsel zou er een stelsel van evenredige vertegenwoordiging komen.

Toch bleef een brede kiesrechtbeweging streven naar gelijke rechten voor mannen én vrouwen. Zo vond op 17 september 1916 in Amsterdam een grote manifestatie en demonstratie plaats voor het algemeen kiesrecht. Aan de betoging namen ook verschillende sociaaldemocratische mobilisatieclubs deel, waaronder ook die uit de hoofdstad. Tussen de veertigduizend demonstranten bevonden zich een paar honderd militairen. Zij wilden dat de schorsing van het kiesrecht voor militairen beneden de rang van officier werd opgeheven. Op 3 juli 1918 was het eindelijk zover en koos de mannelijke bevolking voor het eerst de Kamer volgens de nieuwe regels. Om de gemobiliseerde militairen in de gelegenheid te stellen om te stemmen vaardigde de opperbevelhebber van de Land- en Zeemacht een speciale order uit met betrekking tot de verloven. Pas in 1919 kregen vrouwen volwaardig kiesrecht.

Demonstratie voor algemeen kiesrecht op de Nassaukade, 17 september 1916

Demonstratie voor algemeen kiesrecht op de Nassaukade, 17 september 1916

top