Naast de regulering van de voedselvoorziening door de rijksoverheid namen gemeenten zelf ook maatregelen om goederen voor de eerste levensbehoeften aan te schaffen en te distribueren. In Amsterdam werd – net als in enkele andere plaatsen – in mei 1917 een Gemeentelijke Centrale Keuken ingesteld. Deze maakte deel uit van het Gemeentelijk Levensmiddelenbedrijf. De plaatselijke wethouders maakten als voorbereiding studiereizen naar Duitsland om zich op de hoogte te stellen van de “Kriegsküche” in de steden daar. Blijkbaar bood de neutrale status van Nederland voldoende speelruimte voor dit soort contacten, die ongetwijfeld ook voortvloeiden uit vooroorlogse relaties met politieke geestverwanten.

Men verwachtte dat een centrale keuken zou leiden tot brandstofbesparing. De benodigde energie kon men goedkoop betrekken van de gemeentelijke Electrische Centrale. Bij bereiding in het groot zou bovendien minder voedsel verspild worden. Daarnaast werd de (dreigende) ondervoeding van de Amsterdammers bestreden. Het keukenbestuur werd gevormd door onder andere de burgemeestersvrouw,  A.J.J. Tellegen-Fock, en wethouder S.R. de Miranda.

In Amsterdam werd het voedsel vanuit de centrale keuken naar een veertigtal distributieplaatsen in de stad vervoerd. Op zevenentwintig plaatsen kon de maaltijd ook ter plekke worden genuttigd. In zeven eetlokalen werd onder rabbinaal toezicht de joodse spijswetten in acht genomen. Het aantal burgers dat gebruik maakte van de centrale keuken varieerde, afhankelijk van de ernst van de voedselsituatie. In het bijzonder de arbeidersbevolking was “er sterk aan gehecht zijn eigen pot zelf te koken”. Toch zouden er wekelijks ongeveer 100.000 porties worden bereid, die tegen inlevering van levensmiddelenbonnen werden afgehaald.

Krantenknipsel van de Centrale Keuken in Amsterdam, 1917

Krantenknipsel van de Centrale Keuken in Amsterdam, 1917

Niet iedereen was overtuigd van het nut van de keuken. Het sociaaldemocratische paradepaardje werd aangevallen door groepen revolutionaire socialisten, waar sommigen spraken van de Centrale Trog of de Imperialistische Gaarkeuken. Tot overmaat van ramp brak er in het toch al magere jaar 1918 een staking uit tegen de arbeidsomstandigheden. De sociaaldemocraten en het gemeentebestuur beschouwden dit als een politiek gemotiveerde staking, waarin de toon werd gezet door de radicale Federatieve Bond van Personeel in Openbaren Dienst afdeling Centrale Keuken.

Naast het instellen van Centrale Keuken probeerde de gemeente de bevolking over te halen voedingsmiddelen te gebruiken die niet algemeen gangbaar waren, maar wel beschikbaar, zoals diverse broodvarianten, mosselen, rijst en schapenvlees. Eenvoudig was dat niet.
Het gemeentebestuur van Amsterdam constateerde:

‘Het schapenvleesch vindt, met name in de volksklasse, in geen enkel opzicht de waardeering, die dit bij goede bereiding smakelijke en voortreffelijke voedingsmiddel verdient. In het bijzonder als volksvoedsel is het zeer geschikt te achten omdat het een groote verhouding vette deelen bevat.’