In de loop van de oorlog  ontstonden er ook in Nederland allerlei tekorten en ging er van alles op de bon. De overheid probeerde de nood ook te leningen door zelf producten op de markt te brengen. Niet alleen verscheen er de eenheidsworst van 25 cent, maar ook eenheidsbier, eenheidssigaren, eenheidsschoenen, enzovoorts. De minister van Landbouw, Handel en Nijverheid F.E. Posthuma was hiervoor verantwoordelijk.
Het woord eenheidsworst duikt voor het eerst op in november 1916 naar aanleiding van de introductie van de ‘Einheitswurst’ in Duitsland. De worst werd in ons land al snel onderwerp van spot, zoals duidelijk blijkt uit het mopje dat dat oorlogsverzamelaar Scheltema uit de krant knipte.

Krantenknipsel 'De Eenheidsworst', 1914-1918

Krantenknipsel ‘De Eenheidsworst’, 1914-1918

Twee buurvrouwen hebben het over de distributie, vleesnood, vetschaarste, enzovoorts.

‘Ik geloof dat er weer gauw rundvleesch gedistribueerd zal worden’, zegt ten laatste een der buurvrouwen.
‘Ben je wijs,” zegt de ander, er zijn immers haast geen koeien meer in ’t land!’
‘Nee, maar ze zijn van plan, alle oude koeien uit de sloot te halen.’

Ook  deze spotprent is veelzeggend. De slagerij is leeg en de eenheidsworst draait de slager de nek om. En volgens politiek tekenaar Albert Hahn hield Minister Posthuma de uitgehongerde bevolking een ‘vette’ eenheidsworst voor.

Waar bestond de eenheidsworst nu eigenlijk uit? Op papier uit tien procent varkensvlees en negentig procent rundvlees. Maar door het gebrek aan vlees groeide de roep om vleesvervangers en waarschijnlijk werden er ook andere producten gebruikt voor de vulling van de worst. Na de beëindiging van de oorlog verdwenen de eenheidsproducten, maar als begrip zou de eenheidsworst tot op de dag van vandaag blijven bestaan: fantasieloos, meer van hetzelfde.

Spotprent 'Tantaluskwelling', mei 1918

Krantenknipsel ‘Tantaluskwelling’, mei 1918