Krantenknipsel 'Het 'Zevende' terug naar Amsterdam', 1919

Krantenknipsel ‘Het ‘Zevende’ terug naar Amsterdam’, 1919

Op 11 november 1918 kwam de Eerste Wereldoorlog ten einde. Drie dagen later demobiliseerde de Nederlandse regering na vier jaar en drieënhalve maand de krijgsmacht. De soldaten van de lichting 1916 en ouder (ongeveer 122.000 man) gingen als eersten met verlof. Velen hadden meer dan drie jaar in het leger doorgebracht.

Demobilisatie is voor de overheid geen gemakkelijke opgave. De soldaat moet op sociaal en economisch herintreden in de gewone samenleving en de kans op mislukken is niet te onderschatten. Zal hij zich overgeven aan drankmisbruik? Zal hij zich gewelddadig gedragen? Zal hij zijn vrouw nog thuis aantreffen? Zal hij zijn oude werk kunnen oppakken? En, voor de overheid uitermate belangrijk: zal hij loyaal burger blijven of vatbaar worden voor radicale politieke ideeën?

In vergelijking met de soldaten in de oorlogvoerende landen was de Nederlandse militair tijdens de mobilisatie van ’14-’18 fortuinlijk. Hij stond niet in de loopgraven en had niet oog in oog gestaan met de dood. Maar het verblijf onder de wapenen had hem toch veranderd. Vaak voor het eerst in zijn leven was hij gedurende een langere periode (ver) van huis en had hij onder invloed gestaan van andere ideeën. Hij was in contact gekomen met mensen die een andere politieke of kerkelijke richting voorstonden. Bovenal was de moraal in het leger natuurlijk totaal anders dan in zijn traditionele leefomgeving.

Slechts weinigen konden de sfeer die in het leger bestond waarderen. Kazernes werden beschouwd als plekken waar moraal en religie werden aangetast en waar regelmatig veel werd gedronken. Deze kwestie werd actueel bij het begin van de demobilisatie. Veel gemeentebesturen, waaronder het Amsterdamse, besloten de kroegen te sluiten en een schenkverbod af te kondigen.

Veel soldaten kregen te maken met economische problemen. Bij een mobilisatie worden vele werknemers aan de arbeidsmarkt onttrokken waardoor bedrijven nog maar moeilijk kunnen functioneren en soms zelfs de poorten moeten sluiten. Bij een demobilisatie komen velen van de een op de andere dag terug in de burgermaatschappij en kunnen maar moeilijk werk vinden. Dat was zeker zo in Amsterdam waar zo’n 25 tot 30.000 voormalige soldaten weer een plek in de burgermaatschappij moesten zien te vinden, terwijl de economische en sociale nood al voor het einde van de oorlog hoog opgelopen was. In de collectie van verzamelaar Scheltema bevinden zich diverse pamfletten, waarin gedemobiliseerden voor vergaderingen en politieke acties bijeen worden geroepen .

Krantenknipsel 'Demonstratie van gedemobiliseerden op het Spui', maart 1919

Krantenknipsel ‘Demonstratie van gedemobiliseerden op het Spui’, maart 1919