Cocaïne werd voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog door artsen toegepast als plaatselijk verdovingsmiddel. Het middel werd meegenomen in verband- en medicijnkisten naar het front, zoals in Ieper. Cocaïne werd toen nog niet bestempeld als harddrug. De Nederlandsche Cocaïnefabriek (NCF) werd in 1900 opgericht door de Koloniale Bank en was gedurende de Eerste Wereldoorlog gevestigd aan de Duivendrechtsekade 67 in Amsterdam. In deze periode verdubbelde de productie. Er werd een nieuwe werkruimte en laboratorium gebouwd. Er kwam een nieuw ketelhuis en het bedrijf plaatste een tweede extractiebatterij. De NCF produceerde met enkele tientallen medewerkers in 1914-1918 gemiddeld 1000 kilogram cocaïne per jaar. Als grondstof gebruikte men geïmporteerde cocabladen uit Nederlands-Indië. Het grootste deel van de fabrieksproductie ging in de oorlogsjaren naar Engeland en Japan. In Groot-Brittannië werd het onder andere verwerkt in het middel Forced March: Allays hunger and prolongs the power of endurance.

Boven het Doosje met aloëpillen ligt een hoeveelheid cocaïne uit de Eerste Wereldoorlog

Boven het Doosje met aloëpillen ligt een hoeveelheid cocaïne uit de Eerste Wereldoorlog

top